Casus: wanneer spreekt men over een arbeidsovereenkomst?

Een arbeidsovereenkomst… of toch niet?

Veel werkgevers maken naast hun werknemers ook wel eens gebruik van zzp’ers. En soms doen die zzp’ers in de praktijk soortgelijk of zelfs bijna hetzelfde werk als de werknemers. De zzp’er werkt meestal op opdrachtbasis. Soms claimt de zzp’er achteraf dat hij eigenlijk een arbeidsovereenkomst met de werkgever had. Bijvoorbeeld om een uitkering te kunnen krijgen. Hoe zit dat eigenlijk?

De Hoge Raad, de hoogste rechter in arbeidsrechtszaken, deed op 6 november 2020 een uitspraak. Lees hieronder hoe zij beoordelen of er sprake is van een arbeidsovereenkomst.

Casus: wat is er aan de hand?

In deze zaak ging het niet om een zzp’er, maar om een langdurig werkloze mevrouw met een IOAW-uitkering. De mevrouw had  gewerkt op een zogeheten participatieplaats. Dit is een soort werkervaringsplaats met behoud van uitkering. Achteraf vond de mevrouw dat ze eigenlijk een arbeidsovereenkomst had gehad, en eiste ze achterstallig loon.

De mevrouw kreeg achtereenvolgens bij de kantonrechter, het gerechtshof en de Hoge Raad ongelijk. Belangrijker dan deze precieze casus zijn de overwegingen van de Hoge Raad om de eis af te wijzen. Want die overwegingen zijn ook voor andere casussen belangrijk.

Wat vindt de Hoge Raad?

De arbeidsovereenkomst is in het Burgerlijk Wetboek (artikel 7:610) gedefinieerd als de overeenkomst waarbij de ene partij – de werknemer – zich verbindt in dienst van de andere partij – de werkgever – tegen loon gedurende enige tijd arbeid te verrichten. De belangrijkste elementen van deze definitie zijn “arbeid”, “loon” en “in dienst van” ofwel de gezagsverhouding.

In deze zaak voor de Hoge Raad kwam met name aan de orde welke rol de bedoeling van de partijen bij een overeenkomst speelt. Is het van enig belang of de partijen de bedoeling hadden een arbeidsovereenkomst te sluiten, of juist niet? Op grond van een oud arrest van de Hoge Raad uit 1997 werd vaak aangenomen dat deze bedoeling wel een rol speelde. De Hoge Raad heeft dat nu echter uitdrukkelijk tegengesproken. De Hoge Raad nam overigens geen afstand van dat oude arrest, maar vond dat het vaak verkeerd was uitgelegd. De Hoge Raad gaf het volgende aan: “Waar het om gaat, is of de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst. (…) speelt de bedoeling van partijen dus geen rol bij de bij de vraag of de overeenkomst moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst.”

Een overeenkomst die voldoet aan de wettelijke definitie van een arbeidsovereenkomst is dus wel degelijk een een arbeidsovereenkomst, ook al wilden de partijen een ander soort overeenkomst sluiten.

Meer nieuwsberichten