Valt het dragen van een mondkapje onder het instructierecht?

Wat is de situatie?

Een bezorger van een bakkerij weigerde een mondkapje te dragen. Zijn werkgever stelde hem op non-actief en schortte het loon op. De werknemer was het hier niet meer eens en stapte naar de rechter. Wat is het oordeel? De werkgever gaat hierin mee, lees meer hieronder.

Wat oordeelt de rechtbank Utrecht?

De bezorger mag pas weer aan het werk op het moment dat hij zijn mondkapje draagt. Hij is terecht op non-actief gesteld. De werkgever mocht gedurende deze periode het loon opschorten, aldus het recentelijke oordeel van de rechtbank Utrecht. De werknemer voert aan dat het dragen van een mondkapje voor veel hinder zorgt tijdens zijn werkzaamheden. Hij geeft aan dat hij voldoende afstand kan houden. Dat zijn werkgever had toegezegd dat hij in de auto geen mondkapje hoefde te dragen, deed daar volgens de man niks aan af.

Beroep op instructierecht

De werkgever beroept zich op het zogenaamde instructierecht (artikel 7:660 BW). Hierin staat dat een werknemer zich moet houden aan de voorschriften die de werkgever opstelt. Deze voorschriften moeten een doel dienen en mogen geen (grote) inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van werknemers maken.

De rechter oordeelt dat, hoewel over de effectiviteit van het mondkapje wordt getwist, het een maatschappelijk aanvaard middel is. Dat in deze situatie een mondkapje een redelijke maatregel is en de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de werknemer (bezorger) slechts zeer beperkt is. Als legitiem doel voert de rechter aan dat de werkgever enerzijds moet zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving . Anderzijds heeft de werkgever het bedrijfsbelang te beschermen, omdat er sprake is van een loondoorbetalingsverplichting ten aanzien van werknemers die als gevolg van een mogelijke coronabesmetting niet kunnen werken.

Bron: ECLI:NL:RBMNE:2021:51

Meer nieuwsberichten